FAQ

Hier vind je de antwoorden op de meest gestelde vragen over het programma Stopcontact op Land. 
Wordt je vraag hier niet beantwoord? Neem dan contact met ons op via de pagina contact.

Let op:
De inhoud van deze FAQ is geschreven op basis van de beschikbare informatie op datum van publicatie. Houd er rekening mee dat feiten, regelgeving of omstandigheden inmiddels veranderd kunnen zijn. Aan de informatie in deze FAQ kunnen geen rechten worden ontleend. Voor de meest actuele informatie raden wij aan recente bronnen te raadplegen of contact met ons op te nemen.

 

Het Rijk beheert het Nederlandse hoofdwegennet. Daar horen ook de verzorgingsplaatsen bij. Als Nederland overstapt op schoon vervoer, moeten deze plekken beschikken over voldoende stroom voor laden. Het aantal elektrische auto's groeit snel, en de vraag naar laadcapaciteit zal naar verwachting tot 2050 blijven stijgen.

Nederland heeft zich in het klimaatakkoord en de Europese klimaatwet vastgelegd op de volgende doelen:

  • in 2030 55% minder uitstoot dan in 1990
  • in 2050 netto nul uitstoot.

Mobiliteit is een grote bron van uitstoot. In 2023 kwam ongeveer 21% van de uitstoot van broeikasgassen in Nederland uit verkeer en vervoer. Wie de uitstoot wil terugdringen, moet dus naar mobiliteit kijken.

Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat is verantwoordelijk voor het mobiliteitssysteem. Daarom werkt het aan een toekomst waarin mensen en goederen zich in 2050 emissieloos verplaatsen. Toekomstbestendige laad- en energievoorzieningen op verzorgingsplaatsen horen bij die opdracht.

Dit heeft te maken met het vermogen van de netaansluiting. Dat is een maat voor hoeveel stroom er geleverd kan worden. Met het toenemen van het aantal elektrische voertuigen is een groter vermogen nodig. Bij een aantal verzorgingsplaatsen is over een paar jaar al meer nodig dan de huidige aansluiting kan leveren. Doordat veel meer partijen dan vroeger een grote(re) aansluiting willen hebben is de wachttijd lang (gemiddeld 4 a 5 jaar).

Het programma Stopcontact op Land richt zich op twee problemen:
1. Momenteel blijft de netaansluiting mogelijk niet behouden wanneer de vergunning van de laadexploitant afloopt. Dit zou betekenen dat de nieuwe laadexploitant jaren op een aansluiting voor het laden moet wachten. We noemen dit: "De onzekerheid rondom voortzetting van de bestaande netaansluiting na vergunningenovergang."

2. Wanneer er een grotere aansluiting nodig is, is dit erg duur. De investering is voor de laadexploitant niet terug te verdienen binnen de vergunningstijd.  Zo is het onwaarschijnlijk dat de exploitant een grotere aansluiting aanvraagt, terwijl dit voor de mobiliteitstransitie wel nodig is.

De Aanpak Stopcontact op Land biedt een oplossing voor deze twee problemen.

De Aanpak Stopcontact op Land zorgt voor:

  • Minder druk op de netbeheerders: de benodigde infrastructuur kan in één keer worden aangelegd. De grond hoeft daardoor maar één keer open voor een toekomstbestendige netaansluiting.
  • Lagere maatschappelijke kosten: de aansluiting wordt direct verzwaard wanneer dat nodig is, waardoor er geen herhaaldelijke investeringen nodig zijn voor stapsgewijze uitbreidingen.
  • Voldoende aansluitcapaciteit voor betrouwbaar laden van elektrische voertuigen: deze is toereikend om te voldoen aan de groeiende vraag naar (snel)laden op verzorgingsplaatsen. Zo ontstaat een robuust laadnetwerk.

Bovenstaande punten dragen bij aan een geslaagde overgang naar duurzame mobiliteit op het hoofdwegennet.

Een toekomstbestendige netaansluiting is een aansluiting op de verzorgingsplaats die voldoet aan de verwachte elektriciteitsvraag in 2050.

Dit kan op twee manieren:

1. De huidige aansluiting behouden en optimaal benutten
Het Rijk maakt afspraken over het behouden vande aansluting wanneer de vergunning afloopt. Waar mogelijk wordt de bestaande aansluiting zo lang en efficiënt mogelijk gebruikt, bijvoorbeeld door de inzet van batterijen. Pas wanneer de elektriciteitsvraag hoger wordt dan wat de aansluiting aankan, wordt deze op verzoek van de exploitant verzwaard.

2. Een grotere netaansluiting realiseren
Zodra de laadvraag groter wordt dan de huidige aansluiting aan kan, verzoekt de exploitant het Rijk om een grotere aansluiting te realiseren. Het Rijk zorgt dan dat er een grotere netaansluiting wordt aangelegd. 

 

De aanpak Stopcontact op Land is nodig, omdat er anders risico's ontstaan voor de beschikbaarheid en betrouwbaarheid van laadinfrastructuur op de verzorgingsplaatsen langs het Nederlandse hoofdwegennet.

De Aanpak Stopcontact op Land richt zich op twee problemen:
1. Momenteel blijft de netaansluiting mogelijk niet behouden wanneer de vergunning van de laadexploitant afloopt. Dit zou betekenen dat de nieuwe laadexploitant jaren op een aansluiting voor het laden moet wachten. We noemen dit: "De onzekerheid rondom voortzetting van de bestaande netaansluiting na vergunningenovergang."

2. Wanneer er een grotere aansluiting nodig is, is dit erg duur. De investering is voor de laadexploitant niet terug te verdienen binnen de vergunningstijd.  Zo is het onwaarschijnlijk dat de exploitant een grotere aansluiting aanvraagt, terwijl dit voor de mobiliteitstransitie wel nodig is.

De Aanpak Stopcontact op Land biedt een oplossing voor deze twee problemen.

Niet iedereen heeft de mogelijkheid om thuis of op het werk (voldoende) te laden. Daardoor blijft (snel)laden onderweg noodzakelijk, met name voor langere ritten en voor reizigers die geen toegang hebben tot private laadvoorzieningen.

Uit onderzoek blijkt dat ongeveer 9% van al het laadgedrag bestaat uit snelladen onderweg (Nationaal Laadonderzoek RVO, 2023).  En dat ongeveer 3 à 4% specifiek plaatsvindt op verzorgingsplaatsen langs het Nederlandse hoofdwegennet (Revnext, 2024).

Daarnaast groeit het aantal elektrische voertuigen sterk, waardoor de vraag naar laadcapaciteit op verzorgingsplaatsen langs het hoofdwegennet toeneemt. Daarom is het van belang dat de snellaadinfrastructuur op verzorgingsplaatsen meegroeit met de vraag.

Als het Rijk geen regie neemt, ontstaan er risico's voor de beschikbaarheid en betrouwbaarheid van laadinfrastructuur op de verzorgingsplaatsen langs het Nederlandse hoofdwegennet. Deze risico's zijn een bedreiging voor het slagen van de mobiliteitstransitie en daarmee voor het behalen van de doelen uit het klimaatakkoord en de Europese klimaatwet.

Het programma Stopcontact op Land richt zich op twee problemen:
1. Momenteel blijft de netaansluiting mogelijk niet behouden wanneer de vergunning van de laadexploitant afloopt. Dit zou betekenen dat de nieuwe laadexploitant jaren op een aansluiting voor het laden moet wachten. We noemen dit: "De onzekerheid rondom voortzetting van de bestaande netaansluiting na vergunningenovergang."

2. Wanneer er een grotere aansluiting nodig is, is dit erg duur. De investering is voor de laadexploitant niet terug te verdienen binnen de vergunningstijd.  Zo is het onwaarschijnlijk dat de exploitant een grotere aansluiting aanvraagt, terwijl dit voor de mobiliteitstransitie wel nodig is.

De Aanpak Stopcontact op Land biedt een oplossing voor deze twee problemen.

De opgave is omvangrijk, op basis van de huidige inzichten gaat het tot 2050 in totaal om ongeveer 230 verzorgingsplaatsen.

Hiervan is op ongeveer 210 verzorgingsplaatsen een zwaardere netaansluiting nodig om aan de verwachte laadvraag te voldoen.
Daarnaast blijft op ongeveer 20 verzorgingsplaatsen de huidige netaansluiting voldoende (eventueel met batterijopslag voor pieken).

 

Dat is afhankelijk van de locatie. Een toekomstbestendige netaansluiting is een aansluiting op de verzorgingsplaats die voldoet aan de verwachte elektriciteitsvraag in 2050. Het vermogen verschilt dus per verzorgingsplaats.

Volgens de prognoses is op 160 verzorgingsplaatsen een aansluiting van 5-6 MVA nodig, op 40 verzorgingsplaatsen een aansluiting van 10 MVA en op een enkele plek zal er mogelijk nog meer nodig zijn.

Een batterij kan op een verzorgingsplaats helpen om pieken in de elektriciteitsvraag op te vangen en zo het (snel)laden te ondersteunen. Ook kan een batterij energie uit bijvoorbeeld duurzame opwek opslaan en op een later moment afgeven. Aangezien wordt verwacht dat netcapaciteit op veel locaties schaars blijft, wordt voorzien dat een zogenaamd batterij-energieopslag systeem (BESS) nodig zal zijn om de piek elektriciteitsvraag op te vangen.

Het is aan de snellaadexploitant om een BESS in te zetten op de verzorgingsplaats. De wijze waarop dat wordt gedaan, staat beschreven in het kennisproduct ‘Vermogensmanagement’.

Vanwege het belang van een BESS om in de nabije toekomst snelladen te kunnen aanbieden, heeft de Aanpak Stopcontact op Land in het ruimtebeslag rekening gehouden met de mogelijke plaatsing van een BESS. Over de uitvoering van de Aanpak is nog geen besluit genomen, maar in de voorgestelde inrichting wordt deze optie wel meegenomen.

Lees meer over vermogensmanagement

Dit is een lastige vraag aangezien het over de toekomst gaat. Helaas kunnen we de toekomst niet voorspellen.

Wel weten we dat netcongestie, de dienstverlening van de snellaadexploitant en de snelheid van de mobiliteitstransitie invloed hebben op de beschikbaarheid van voldoende elektrisch vermogen.

  1. Netcongestie: in hoeverre de regionale netbeheerder de elektriciteitsvraag op de verzorgingsplaats kan leveren is heel belangrijk. De snellaadexploitant is hier namelijk afhankelijk van. Op dit moment wordt veel ontwikkeld om het bestaande net slimmer te benutten, denk aan het afnemen van stroom buiten de piekmomenten en het toepassen van batterijen om pieken in de vraag naar snelladen op te vangen. We verwachten dat batterijen tijdelijk een deel van de laadvraag die niet geleverd kan worden door de netbeheerder zullen opvangen. Als dat voldoende is, kunnen de auto’s en vrachtwagens met de gewenste snelheid laden.
  2. Dienstverlening van snellaadexploitant: deze zal proberen om zo voorspelbaar mogelijk te zijn. Dus zal de snellaadexploitant onderbrekingen of grote verschillen in het snelladen proberen te voorkomen. 
  3. Snelheid van de mobiliteitstransitie: hoe groot de vraag naar stroom voor laden precies zal zijn op een specifiek moment, is moeilijk te voorspellen. Als in een korte tijd de vraag snel stijgt, moeten de exploitanten laadpalen toevoegen. Dit kan effect hebben op de wachttijd voor laden. Dit heeft ook een link met de netcongestie. De laadexploitant is afhankelijk van de beschikbare capaciteit op het distributienet. 

Op dit moment is nog onduidelijk of en wanneer de aanpak Stopcontact op Land daadwerkelijk wordt uitgevoerd. De aanpak is nu alleen als advies opgesteld, er is nog geen besluit genomen over de implementatie. 

Het programma deelde eind 2025 zijn bevindingen met daarbij een voorstel voor een landelijke aanpak voor het realiseren van toekomstbestendige netaansluitingen op alle verzorgingsplaatsen langs het hoofdwegennet. 

Mocht het Rijk besluiten om de aanpak uit te voeren, dan ziet de globale tijdlijn er als volgt uit:

  • Tot 2035: nadruk op het behouden en veiligstellen van bestaande netaansluitingen op de verzorgingsplaatsen.
  • Tot 2050: realisatie van zwaardere netaansluitingen.

Omdat er nog geen definitief besluit is genomen, is uitvoering nog onzeker. 

Een 10 MVA‑netaansluiting kan maximaal ongeveer 8.500 kW leveren. Dit is het effectieve nuttige vermogen. Dit komt doordat een aansluiting nooit volledig op de nominale aansluitcapaciteit wordt belast: om technische redenen rekenen netbeheerders met een vermogen van ongeveer 85% van de MVA‑waarde (o.a. door spanningsniveau, verliezen en ontwerpuitgangspunten). Daarom levert een 10 MVA‑aansluiting in de praktijk ongeveer 8,5 MW.

Belangrijk: dit is niet hetzelfde als een toekomstbestendige aansluiting.

Een toekomstbestendige netaansluiting is een aansluiting die voldoet aan de benodigde laadcapaciteit gedurende de mobiliteitstransitie tot 2050. Die kan op sommige locaties 5–6 MVA zijn, en op andere locaties 10 MVA of hoger zijn. Een 5–6 MVA‑aansluiting kan dus óók toekomstbestendig zijn.

Daarnaast zegt de aansluitcapaciteit niets over de daadwerkelijke stroomlevering: het benodigde vermogen moet worden geleverd via het distributienet van de regionale netbeheerder. In tijden van netcongestie kan gevraagd vermogen niet altijd worden geleverd.

Waarmee is 8.500 kW te vergelijken?

  • 8500 kW komt overeen met het gelijktijdige elektriciteitsgebruik van ongeveer 1500 woningen met warmtepomp.
  • Het is ongeveer 500× kleiner dan het totale vermogen dat Tata Steel gebruikt (ca. 4 GW).
  • Het totale vermogen voor alle 230 verzorgingsplaatsen samen komt uit op ongeveer 1,6 GW, vergelijkbaar met het verbruik van een grote industriële gebruiker.

Bron Klimaat Helpdesk

Elke grote netaansluiting heeft op het perceel van de klant (gebruiker aansluiting) een inkoopstation waar de kabel binnenkomt. Daarnaast moet de elektriciteit verdeeld worden. Daarvoor zijn schakelaars nodig, deze bevinden zich in een gebouw dat lijkt op het inkoopstation. Afhankelijk van de hoeveelheid beschikbare ruimte kan worden gekozen voor één gebouw met daarin het inkoopstation en de automaten (verdelers) of voor twee losse gebouwen. Bij elkaar neemt dit ongeveer 7 - 10 meter bij 3 meter in. Op de verzorgingsplaats zullen ook transformatoren worden geplaatst, deze worden aangesloten op de kabels afkomstig vanaf de automaten (verdelers) SOL, maar zijn eigendom van de Charge Point Operator (CPO). De transformatoren hebben een ruimte nodig van 6,5 meter bij 4,5 meter (transformator inclusief vrije ruimte). De kabels verbinden de verschillende componenten met elkaar. De kabels worden zo aangelegd dat ze later makkelijk te bereiken zijn (bijvoorbeeld in de vrije ruimte onder een voetpad).

Voorbeeld gebouw met inkoopstation en automaten
 

Op een toekomstbestendige netaansluiting kunnen maximaal vier gebruikers worden aangesloten. Dit komt voort uit de regels voor Cable Pooling 2.0 in de Energiewet. 

Bij Cable Pooling 2.0 worden meerdere installaties op een verzorgingsplaats gezien als één installatie en één onroerende zaak. Hierdoor kunnen voorzieningen op de verzorgingsplaats een gezamenlijke aansluiting (én ATO) delen.

Zo kan de beschikbare capaciteit zo goed mogelijk worden benut en kunnen verschillende mobiliteits- en opwekinstallaties worden aangesloten.

Aanpak Stopcontact op Land is een adviesaanpak. Over de uitvoering hiervan is nog geen besluit genomen. Daarom is koppeling van opwek nu nog niet mogelijk.

Mocht er overgegaan worden tot implementatie, is het de bedoeling dat ook opwekkers van duurzame energie van buiten de verzorgingsplaats kunnen worden aangesloten.

Zoals beoogd in de Aanpak Stopcontact op Land kan de netaansluiting op de verzorgingsplaats worden gedeeld door maximaal vier gebruikers. De aansluiting is bedoeld voor mobiliteitsvoorzieningen, zoals laadinfrastructuur, en eventueel voor duurzame opwek. 

De aansluiting is niet bedoeld voor andere voorzieningen op de verzorgingsplaats, zoals een winkel of restaurant. Deze blijven gebruikmaken van hun eigen bestaande aansluiting. 

Bij de totstandkoming en uitwerking van de Aanpak Stopcontact op Land zijn verschillende partijen betrokken, ieder met eigen taken en verantwoordelijkheden. Over de daadwerkelijke uitvoering is nog geen besluit genomen, maar de Aanpak geeft wel een advies over de mogelijke taakverdeling.

Volgens dit advies geldt het volgende:

Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW)
Het ministerie ontwikkelt de wet- en regelgeving die nodig is om laden van elektrische voertuigen op verzorgingsplaatsen mogelijk te maken.

Rijkswaterstaat (RWS)
Rijkswaterstaat wordt gezien als de meest geschikte partij voor het uitvoeren van de wet- en regelgeving van IenW. Dit omvat onder meer het uitgeven van laadkavels aan laadpaalexploitanten en toezicht en handhaving van de vergunningvoorschriften. Daarnaast kan RWS toekomstbestendige netaansluitingen (laten) realiseren. 

Rijksvastgoedbedrijf (RVB)
Het RVB zou namens het Rijk een deel van de verzorgingsplaats verhuren aan een exploitant van laadinfrastructuur.

Nee, de aansluiting is bedoeld voor mobiliteitsvoorzieningen, zoals laadinfrastructuur, en eventueel voor duurzame opwek, in en om de verzorgingsplaats.

De aansluiting is niet bedoeld voor andere voorzieningen op de verzorgingsplaats, zoals een winkel of restaurant. Deze blijven gebruikmaken van hun eigen bestaande aansluiting. 

Een industrieterrein is wel een afnemer, maar ligt buiten de verzorgingsplaats, en is geen voorziening die bijdraagt aan de mobiliteitstransitie.

De exploitanten van laadvoorzieningen op de verzorgingsplaatsen langs het hoofdwegennet betalen een bedrag voor het gebruik van de aansluiting. Op deze manier kan het Rijk de investering over een periode van ongeveer 30 jaar terugverdienen.

Belangrijk om te vermelden:
Over de uitvoering van de Aanpak Stopcontact op Land is nog geen besluit genomen. De genoemde manier van terugverdienen is daarom een voorgestelde werkwijze, geen vastgestelde afspraak.

De prijzen voor snelladen worden bepaald door de marktpartijen die de laadpunten exploiteren. Het Rijk heeft dus geen invloed op het tarief dat gebruikers betalen.

Als de Aanpak Stopcontact op Land wordt ingevoerd, legt de overheid de toekomstbestendige netaansluiting aan. De exploitant hoeft deze investering dus niet zelf te doen. De overheid verdient deze investering terug via de huur die exploitanten betalen voor het gebruik van een laadkavel. Deze kosten kunnen worden uitgesmeerd over twee exploitatietermijnen, waardoor de jaarlijkse lasten voor exploitanten lager blijven.

Of dit uiteindelijk leidt tot een verandering in snellaadprijzen voor gebruikers is op dit moment niet te zeggen. Dat hangt af van de markt en de keuzes van exploitanten.

Als op alle ongeveer 230 verzorgingsplaatsen een grotere netaansluiting wordt aangelegd, dan wordt de totale investering voor het Rijk geschat op circa 1,2 miljard euro*.

*Dit bedrag is een indicatie en hangt af van de uiteindelijke keuzes in de uitvoering. Over de uitvoering van Aanpak Stopcontact op Land is nog geen besluit genomen.

Nee, in geen een uitwerking van aanpak Stopcontact op Land is sprake van de verkoop van energie door het Rijk. Het Rijk zorgt er alleen voor dat de netaansluiting beschikbaar wordt gesteld aan de beoogde hoofdgebruiker; de laadexploitant.

Cookie-instellingen